Schermgeschiedenis tot 1930

Schermen is een vechtsport met een lange geschiedenis. Helaas is het schermen in Nederland nooit een populaire sport geweest. Een reden daarvoor zou kunnen zijn dat het schermen geen gemakkelijke sport is. Het is voor buitenstaanders moeilijk te volgen en dus, vooral in de huidige tijd, ook niet mediageniek. Hoewel het schermen wel tot de verbeelding van velen spreekt voelen Nederlanders weinig voor de schermsport. En dat is des te meer jammer omdat de schermsport tot op hoge leeftijd beoefend kan worden en karakter en durf van de beoefenaar eist. Nederland heeft begin 20e eeuw internationale schermers gekend met grote successen.

Plaatje van de uitval van La Tousche

Duizenden jaren geleden werd het schermen reeds als sport beoefend in Egypte. In het graf van Farao Ramses III, 1190 voor het begin van onze jaartelling, zijn kleitabletten gevonden, waarop afbeeldingen staan van een schermwedstrijd tussen Perzen, Asyriërs en Egyptenaren. Er word geschermd met floretten en de schermers dragen maskers. De zéér veel oudere Indiase cultuur gelooft dat het zwaard, door Brahman “Zelf”, geschapen werd uit een offervuur (Het scheppingsverhaal van het zwaard). De oude Grieken kenden vaste regels met betrekking tot het degenschermen. Van de Romeinen weten we dat gladiatoren in de arena’s strijd leverden met zwaarden en degens. De Germanen werden door de Romeinen geroemd om hun behendigheid in het hanteren van wapens. Geen wonder eigenlijk als je bedenkt dat bij de Germanen het zwaard ook gebruikt werd, om geschillen uit te vechten, bij wijze van Godsgericht.

In onze riddertijd werd er geschermd met grote tweesnijdende slagzwaarden. Deze werden met twee handen gehanteerd, waar veel kracht voor nodig was. Later werd menig duel door beledigde edellieden uitgevochten. Philips de Schone trachtte in 1303 tevergeefs de duels te verbieden. Het was dan ook raadzaam zich door een schermmeester te laten onderwijzen in het goede gebruik van zwaard, rapier en later de degen.

Plaatje van een vroege schermuitrusting

De grote burgeroorlogen waren een reden om het schermen te leren als zelfverdediging. Het duel werd ook in latere eeuwen, op straffe des doods, verboden. Niet alleen mannen vochten duels uit, ook vrouwen lieten zich, vanaf de 17e eeuw, niet onbetuigd in het duelleren met de degen of met het pistool. De verhalen hierover zijn legio. Door het gebruik van het buskruit in de 14e eeuw kwam het zwaard als aanvalswapen op de tweede plaats. Het slagzwaard maakte daardoor eerst plaats voor het rapier en later voor de veel lichtere degen. Dit was de reden dat het schermen zich technisch ontwikkelde. Doordat de slagkracht van de kogel het dragen van een harnas overbodig maakte, kon men zich op het slagveld beter bewegen. Ook kon er bij nat en vochtig weer niet geschoten worden. Een musket, die door een musketier gedragen werd, kon maar een of twee keer worden afgeschoten omdat hij anders te heet werd. Een musketier ontleende zijn naam aan de musket, maar werd bekend door de degen, het “zijdegeweer”, waarmee hij schermde.

Het schermen werd tijdens de Renaissance meer een “edel spel” met vaste regels. In Italië werd de edele kust van het schermen, “scherma” genoemd, afgeleid van het Germaanse “schirmen”. De Italiaanse meesters waren de eersten die moderne handleidingen schreven over deze ridderlijke kunst die in Frankrijk de naam ’Edele wetenschap” kreeg. In Frankrijk ontstond ook, onder koninklijk privilege, in 1567 de eerste Academie van Schermmeesters. Deze Academie werd geplaatst onder bescherming van de patroon van de schermkunst St,- Michael.

uitval actie

In die tijd, eind 1500, werd ook de uitval uitgevonden door o.a. de Italianen Capo Ferro, Gianti en anderen. Ook werd in die tijd een begin gemaakt met vastleggen van de posities van de gewapende hand, door de Italiaan Camillo Agrippa. Deze kwamen ongeveer overeen met onze weringen een, twee drie en vier.

Agrippa was ook een voorstander voor het steken in plaats van houwen met het scherp van het wapen, zoals dat met het rapier nog altijd veel werd gedaan. De punt is sneller dan het scherp. Spaanse schermmeesters gingen, in aansluiting op de ideeën van Agrippa, verder zoeken naar de diepere grond van de schermkunst, de wiskunde. Hun programma lag besloten in een boek van Jeronimo Carranza. Door zijn leerling Narvaez ook wel “de uitvinder van de wetenschap van de degen” genoemd.

Plaatje van de mystieke cirkel van Thibault

In 1610 vestigde zich in Amsterdam een schermmeester genaamd Gerard Thibault. Thibault, geboren in Antwerpen rond 1574, had zich in Spanje bij Narvaez, bekwaamd in het systeem, gebaseerd op de mystieke cirkel van de wiskunde (Shakespeare refereerd in “Romeo en Julia” (Act III scene 1) aan dit systeem als hij Mercutio, een vriend van Romeo, laat zeggen… a villain, that fights by the book of arithmetic!). Dit systeem was door Thibault nog verder uitgewerkt en verfijnd. Met dit systeem volgens zijn vaste lijnen en raakpunten was hij onverslaanbaar. De belangstelling van de vaderlandse schermmeesters was groot. Een bekende leerling van Thibault was de dichter Bredero die zelfs een gedicht over hem schreef. Na de dood van Thibault, in de eerste helft van 1627, werd al snel niets meer over dit schermsysteem gehoord.

Werkelijke schermsport kwam er pas omstreeks 1550, toen men elkaars krachten ging meten in wedstrijden zonder de bedoeling elkaar te doden of te verwonden. Spanje, Frankrijk en Italië ontwikkelden elk hun eigen schermstijl.

In het midden van de 18e eeuw wordt het masker opnieuw uitgevonden door de Franse schermmeester La Boussiere. Zijn zoon was de leidende figuur van een groep meesters die uiteindelijk de posities en de terminologie vastlegden van de floretweringen “vijf, zes, zeven en acht”. De Fransman Danet legde, in die zelfde eeuw, de basis voor het floretschermen van de 19e en de 20e eeuw. Nederland leerde de Franse school kennen toen ons land door Napoleon bezet was.

Plaatje van de ontwikkeling van het schermmasker

Na de bevrijding begin 19e eeuw raakte de schermkunst tot bloei in het Nederlandse leger. Hieruit ontstond de z.g.n. “Hollandse methode”, die in 1858 door schermmeester Siebenhaar in een boekje uiteen werd gezet, kort nadat hij een eigen Nederlandse schermschool geopend had. De Hollandse methode van floretschermen leek meer op een gezelschapspelletje dan op schermen. Bij deze methode stonden de schermers zo dicht op elkaar dat zij elkaar konden raken, zonder daarbij een uitval te maken. De gevechtshouding was met gestrekte benen en er werd om de beurt gestoken. Aan het uiteinde van de floret bevond zich een zogenaamde “pommerance”, die royaal met krijt bestreken zeer duidelijke sporen achterliet op het zwarte servet dat door de tegenstander keurig werd opgehouden. Bij de Hollandse methode van sabelschermen kregen de tegenstanders elk vier aardappels: een werd op het hoofd bevestigd, een op de buik en twee aan de zijkanten van de romp. Om de beurt mocht men aanvallen om de aardappels met een enkele stoot in tweeën te splijten. Hier bij werden uitzonderlijke zware sabels gebruikt, met een klingbreedte van niet minder dan 2 cm en een gesloten ronde kom. Als treffers golden die houwen die een aardappel halveerden, ook al hiew men door de wering van de tegenstander heen. Dit spel trok, niet tegenstaande zijn ruwheid, meer beoefenaars dan het gezelschapspelletje met de floret. Dat “aardappel-vechten” verschilde enorm van het schermen zoals men het in het buitenland beoefende. In België en Frankrijk schermde men in die dagen reeds in de huidige gevechtsstelling en met het zogenaamde vrije initiatief. Deze lang niet onberispelijke Hollandse methode werd in 1885, naar de Franse methode, gemoderniseerd door de in Amsterdam werkzame schermleraar G. Hesse.

Een andere door Nederlanders ingevoerde schermvariatie was het geweerschermen, dat van 1884 tot + 1925 beoefend werd. Een oud model geweer werd voorzien van een schuivende bajonet, waarvan de punt met leer was bekleed. Hierbij werd werkelijk geschermd en het duurde dan ook niet lang of het geweerschermen groeide uit tot een hoogte boven het schermen met andere wapens. Er ging een grote bekoring uit van het geweerschermen en het trok internationale belangstelling. Later, in 1912, kwam het geweervechten in Europa in de belangstelling en geraakte het geweerschermen op de achtergrond.

Foto van twee geweerschermers in actie

Na het voornamelijk militaire schermen in de eerste helft van de 19e eeuw kwamen de burgerschermverenigingen. De eerste daarvan was het Rotterdamse Schermcollege in 1858. Nederland telde in de eerste helft van de 19e eeuw meer militaire- dan burgerschermers. Het waren echter de burgerschermers die het meeste initiatief toonden, want de schermclub Ripperda te Haarlem wist in het jaar 1890 een Nederlandse Scherm Bond op te richten. Pas zeven jaar later in 1897 kwamen de militairen, die toen over de sterkste schermers beschikten, tot een bondsverband. Deze was aanvankelijk niet veel hechter dan de burgerbond, die omstreeks 1900 weer met stille trom verdween. De (Kon.) Officiers Schermbond, gevolgd door de (Kon.) Onderofficiers Schermbond uit 1901, leidde tot de vorming van een Afdeling Nederland van het Internationale Scherm Comité in 1905. Afdelingsvoorzitter werd mr. Labouchere die er voor zorgde dat een afvaardiging van dertien Nederlandse schermers, bijna allemaal militairen, naar de zogenaamde Olympische tussenspelen te Athene in 1906 ging. Bij die dertien waren verschillenden die later internationale roem zouden verwerven: de Jong, Doorman en van Blijenburgh. Die, officieuze, Olympische Spelen leverden een derde prijs op degen op voor van Blijenburgh en een derde prijs voor onze sabelequipe. Nog beter ging het een jaar later: luitenant Doorman won in Parijs (1907) het Europese Sabelkampioenschap, wat aan ons land de verplichting oplegde het jaar daarop dit kampioenschap te organiseren. Hiervoor moest een nationale bond gesticht worden: de Nederlandse Amateur Scherm Bond in 1908. De oprichting van deze bond was dus het gevolg van een militaire zege. Met een derde prijs voor onze degen- en een dito prijs voor onze sabelequipe bij de Olympische Spelen van Stockholm in 1912 werd de vooroorlogse periode afgesloten. In de periode na de mobilisatie van 1914–1918 boekte Nederland veel internationale successen. Deze periode word afgesloten in 1929, evenals dit stukje geschiedenis.

Jaar O.S. WK Wapen Naam
1906 3e Sabel Equipe
1906 3e Degen v.Blijenburgh
1906 4e Degen Vigeveno
1912 3e Sabel Equipe
1912 3e Degen Equipe
1920 3e Sabel de Jong
1920 3e Sabel Equipe
1921 3e Degen Daniels
1922 1e Sabel de Jong
1923 1e Sabel de Jong
1923 3e Sabel Daniels
1923 1e Degen Brouwer
1923 2e Degen de Jong
1924 3e Sabel Equipe
1927 4e Degen de Jong
1927 4e Degen de Jong
1929 2e Floret Jo de Boer

Boudewijn Mooren – Mei 2003