Schermen is een vechtsport met een lange geschiedenis. Helaas is het schermen in
Nederland nooit een populaire sport geweest. Een reden daarvoor zou kunnen zijn dat het
schermen geen gemakkelijke sport is. Het is voor buitenstaanders moeilijk te volgen en
dus, vooral in de huidige tijd, ook niet mediageniek. Hoewel het schermen wel tot de
verbeelding van velen spreekt voelen Nederlanders weinig voor de schermsport. En dat is
des te meer jammer omdat de schermsport tot op hoge leeftijd beoefend kan worden en
karakter en durf van de beoefenaar eist. Nederland heeft begin 20e eeuw
internationale schermers gekend met grote successen.

Duizenden jaren geleden werd het schermen reeds als sport beoefend in Egypte. In het
graf van Farao Ramses III, 1190 voor het begin van onze jaartelling, zijn kleitabletten
gevonden, waarop afbeeldingen staan van een schermwedstrijd tussen Perzen, Asyriërs
en Egyptenaren. Er word geschermd met floretten en de schermers dragen maskers. De
zéér veel oudere Indiase cultuur gelooft dat het zwaard, door Brahman
"Zelf", geschapen werd uit een offervuur (Het scheppingsverhaal van het zwaard). De oude Grieken kenden vaste regels
met betrekking tot het degenschermen. Van de Romeinen weten we dat gladiatoren in de
arenas strijd leverden met zwaarden en degens. De Germanen werden door de Romeinen
geroemd om hun behendigheid in het hanteren van wapens. Geen wonder eigenlijk als je
bedenkt dat bij de Germanen het zwaard ook gebruikt werd, om geschillen uit te vechten,
bij wijze van Godsgericht.
In onze riddertijd werd er geschermd met grote tweesnijdende slagzwaarden.
Deze werden met twee handen gehanteerd, waar veel kracht voor nodig was. Later werd
menig duel door beledigde edellieden uitgevochten. Philips de Schone trachtte in 1303
tevergeefs de duels te verbieden. Het was dan ook raadzaam zich door een schermmeester
te laten onderwijzen in het goede gebruik van zwaard, rapier en later de degen.
De grote
burgeroorlogen waren een reden om het schermen te leren als zelfverdediging.
Het duel
werd ook in latere eeuwen, op straffe des doods, verboden. Niet alleen mannen vochten
duels uit, ook vrouwen lieten zich, vanaf de 17e eeuw, niet onbetuigd in het
duelleren met de degen of met het pistool. De verhalen hierover zijn legio. Door het
gebruik van het buskruit in de 14e eeuw kwam het zwaard als aanvalswapen op
de tweede plaats. Het slagzwaard maakte daardoor eerst plaats voor het rapier en later
voor de veel lichtere degen. Dit was de reden dat het schermen zich technisch
ontwikkelde. Doordat de slagkracht van de kogel het dragen van een harnas overbodig
maakte, kon men zich op het slagveld beter bewegen. Ook kon er bij nat en vochtig weer
niet geschoten worden. Een musket, die door een musketier gedragen werd, kon maar een of
twee keer worden afgeschoten omdat hij anders te heet werd. Een musketier ontleende zijn
naam aan de musket, maar werd bekend door de degen, het "zijdegeweer", waarmee
hij schermde.
Het schermen werd tijdens de Renaissance meer een "edel spel"
met vaste regels. In Italië werd de edele kust van het schermen, "scherma"
genoemd, afgeleid van het Germaanse "schirmen". De Italiaanse meesters waren
de eersten die moderne handleidingen schreven over deze ridderlijke kunst die in
Frankrijk de naam Edele wetenschap" kreeg. In Frankrijk ontstond ook, onder
koninklijk privilege, in 1567 de eerste Academie van Schermmeesters. Deze Academie werd
geplaatst onder bescherming van de patroon van de schermkunst St,- Michael.
In die tijd,
eind 1500, werd ook de uitval uitgevonden door o.a. de Italianen Capo Ferro, Gianti en
anderen. Ook werd in die tijd een begin gemaakt met vastleggen van de posities van de
gewapende hand, door de Italiaan Camillo Agrippa. Deze kwamen ongeveer overeen met onze
weringen een, twee drie en vier.
Agrippa was ook een voorstander voor het steken in
plaats van houwen met het scherp van het wapen, zoals dat met het rapier nog altijd
veel werd gedaan. De punt is sneller dan het scherp. Spaanse schermmeesters gingen,
in aansluiting op de ideeën van Agrippa, verder zoeken naar de diepere grond van
de schermkunst, de wiskunde. Hun programma lag besloten in een boek van Jeronimo
Carranza. Door zijn leerling Narvaez ook wel "de uitvinder van de wetenschap van
de degen" genoemd.
In 1610 vestigde zich in Amsterdam een schermmeester genaamd
Gerard Thibault. Thibault, geboren in Antwerpen rond 1574, had zich in Spanje bij
Narvaez, bekwaamd in het systeem, gebaseerd op de mystieke cirkel van de
wiskunde (Shakespeare refereerd in Romeo en Julia (Act III scene 1) aan dit systeem als hij Mercutio, een vriend van Romeo, laat zeggen... a villain, that fights by the book of arithmetic!). Dit systeem was door Thibault nog verder uitgewerkt en
verfijnd.
Met dit systeem volgens zijn vaste lijnen en raakpunten was hij onverslaanbaar.
De belangstelling van de vaderlandse schermmeesters was groot. Een bekende leerling van
Thibault was de dichter Bredero die zelfs een gedicht over hem schreef. Na de dood van
Thibault, in de eerste helft van 1627, werd al snel niets meer over dit schermsysteem
gehoord.
Werkelijke schermsport kwam er pas omstreeks 1550, toen men elkaars krachten ging meten
in wedstrijden zonder de bedoeling elkaar te doden of te verwonden. Spanje, Frankrijk en
Italië ontwikkelden elk hun eigen schermstijl.
In het midden van de 18e eeuw wordt het masker opnieuw uitgevonden door de
Franse schermmeester La Boussiere. Zijn zoon was de leidende figuur van een groep
meesters die uiteindelijk de posities en de terminologie vastlegden van de
floretweringen "vijf, zes, zeven en acht". De Fransman Danet legde, in die
zelfde eeuw, de basis voor het floretschermen van de 19e en de 20e
eeuw.
Nederland leerde de Franse school kennen toen ons land door Napoleon bezet was. Na de
bevrijding begin 19e eeuw raakte de schermkunst tot bloei in het Nederlandse
leger.
Hieruit ontstond de z.g.n. "Hollandse methode", die in 1858 door
schermmeester Siebenhaar in een boekje uiteen werd gezet, kort nadat hij een eigen
Nederlandse schermschool geopend had. De Hollandse methode van floretschermen leek meer
op een gezelschapspelletje dan op schermen. Bij deze methode stonden de schermers zo
dicht op elkaar dat zij elkaar konden raken, zonder daarbij een uitval te maken. De
gevechtshouding was met gestrekte benen en er werd om de beurt gestoken. Aan het
uiteinde van de floret bevond zich een zogenaamde "pommerance", die royaal
met krijt bestreken zeer duidelijke sporen achterliet op het zwarte servet dat door de
tegenstander keurig werd opgehouden. Bij de Hollandse methode van sabelschermen kregen
de tegenstanders elk vier aardappels: een werd op het hoofd bevestigd, een op de buik
en twee aan de zijkanten van de romp. Om de beurt mocht men aanvallen om de aardappels
met een enkele stoot in tweeën te splijten. Hier bij werden uitzonderlijke zware
sabels gebruikt, met een klingbreedte van niet minder dan 2 cm en een gesloten ronde
kom. Als treffers golden die houwen die een aardappel halveerden, ook al hiew men door
de wering van de tegenstander heen. Dit spel trok, niet tegenstaande zijn ruwheid, meer
beoefenaars dan het gezelschapspelletje met de floret. Dat "aardappel-vechten"
verschilde enorm van het schermen zoals men het in het buitenland beoefende. In
België en Frankrijk schermde men in die dagen reeds in de huidige gevechtsstelling
en met het zogenaamde vrije initiatief.
Deze lang niet onberispelijke Hollandse methode werd in 1885, naar de Franse methode,
gemoderniseerd door de in Amsterdam werkzame schermleraar G. Hesse.
Een andere door
Nederlanders ingevoerde schermvariatie was het geweerschermen, dat van 1884 tot + 1925
beoefend werd. Een oud model geweer werd voorzien van een schuivende bajonet, waarvan
de punt met leer was bekleed. Hierbij werd werkelijk geschermd en het duurde dan ook
niet lang of het geweerschermen groeide uit tot een hoogte boven het schermen met andere
wapens. Er ging een grote bekoring uit van het geweerschermen en het trok internationale
belangstelling. Later, in 1912, kwam het geweervechten in Europa in de belangstelling
en geraakte het geweerschermen op de achtergrond. Na het voornamelijk militaire schermen
in de eerste helft van de 19e eeuw kwamen de burgerschermverenigingen. De eerste daarvan
was het Rotterdamse Schermcollege in 1858. Nederland telde in de eerste helft van de
19e eeuw meer militaire- dan burgerschermers.
Het waren echter de
burgerschermers die het meeste initiatief toonden, want de schermclub Ripperda te
Haarlem wist in het jaar 1890 een Nederlandse Scherm Bond op te richten. Pas zeven
jaar later in 1897 kwamen de militairen, die toen over de sterkste schermers beschikten,
tot een bondsverband. Deze was aanvankelijk niet veel hechter dan de burgerbond, die
omstreeks 1900 weer met stille trom verdween. De (Kon.) Officiers Schermbond, gevolgd
door de (Kon.) Onderofficiers Schermbond uit 1901, leidde tot de vorming van een
Afdeling Nederland van het Internationale Scherm Comité in 1905.
Afdelingsvoorzitter werd mr. Labouchere die er voor zorgde dat een afvaardiging van
dertien Nederlandse schermers, bijna allemaal militairen, naar de zogenaamde Olympische
tussenspelen te Athene in 1906 ging. Bij die dertien waren verschillenden die later
internationale roem zouden verwerven: de Jong, Doorman en van Blijenburgh. Die,
officieuze, Olympische Spelen leverden een derde prijs op degen op voor van Blijenburgh
en een derde prijs voor onze sabelequipe. Nog beter ging het een jaar later: luitenant
Doorman won in Parijs (1907) het Europese Sabelkampioenschap, wat aan ons land de
verplichting oplegde het jaar daarop dit kampioenschap te organiseren. Hiervoor moest
een nationale bond gesticht worden: de Nederlandse Amateur Scherm Bond in 1908.
De oprichting van deze bond was dus het gevolg van een militaire zege. Met een derde
prijs voor onze degen- en een dito prijs voor onze sabelequipe bij de Olympische Spelen
van Stockholm in 1912 werd de vooroorlogse periode afgesloten. In de periode na de
mobilisatie van 1914–1918 boekte Nederland veel internationale successen. Deze periode
word afgesloten in 1929, evenals dit stukje geschiedenis.
| Jaar | O.S. | WK | Wapen | Naam | | Jaar | O.S. | WK | Wapen | Naam |
| 1906 | | 3e | Sabel | Equipe | | 1923 | | 1e | Sabel | de Jong |
| 1906 | | 3e | Degen | v.Blijenburgh | | 1923 | | 3e | Sabel | Daniels |
| 1906 | | 4e | Degen | Vigeveno | | 1923 | | 1e | Degen | Brouwer |
| 1912 | 3e | | Sabel | Equipe | | 1923 | | 2e | Degen | de Jong |
| 1912 | 3e | | Degen | Equipe | | 1924 | 3e | | Sabel | Equipe |
| 1920 | 3e | | Sabel | de Jong | | 1927 | | 4e | Degen | de Jong |
| 1920 | 3e | | Sabel | Equipe | | 1927 | | 4e | Degen | de Jong |
| 1921 | | 3e | Degen | Daniels | | 1929 | | 2e | Floret | Jo de Boer |
| 1922 | | 1e | Sabel | de Jong | | | | | | |
Boudewijn Mooren - Mei 2003